Theo Kars : Hulp in nood door Ores

het nut van acupunctuur bij posttraumatische dystrofie

De voorgeschiedenis : Op 10 januari 2004 kreeg mijn vrouw Hannah (geb. 1956) een herseninfarct, dat tot een volledige verlamming van haar linkerarm en een gedeeltelijke verlamming van haar linkerbeen leidde. Waardoor het bloedpropje is ontstaan dat tot haar hersenletsel leidde, is niet ontdekt. Alle bij haar in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam onderzochte waarden bleken niet alleen goed, maar perfect te zijn : Bloed, bloeddruk, cholesterolspiegel enz.

Hannah herstelde in het begin snel. Na een week kon zij al weer normaal lopen en haar arm boven haar hoofd tillen. Haar hand, pols en onderarm waren weliswaar nog verlamd, maar ook daarin begon weer leven te komen.

In de loop van maart 2004 verslechterde haar toestand. Haar linker schouder verstijfde en haar nog voor 90% verlamde hand raakte opgezet. Sommige knokkels van de vingers waren rood en deden zelfs bij de lichtste aanraking pijn. De hand was warmer dan de andere en de kleur ervan donkerder. De fysiotherapie die zij twee maal per week kreeg leek eerder bij te dragen tot de verslechtering van haar conditie dan de verbetering ervan. De –niet aan het O.L.V.G. verbonden- fysiotherapeut pakte haar ‘bevroren’ schouder en stijve vingers aan door aan de eerste hard te rukken en de tweede met geweld te buigen. Dit bezorgde haar acute pijn die na verloop van tijd chronisch werd.

Op 18 maart 2003 werd Hannah door de haar   ‘behandelende’ neuroloog (ik gebruik aanhalingstekens omdat hij maar eenmaal een kwartier met haar had gesproken) uit het O.L.V.G. weggebonjourd met de mededeling ‘Ik hoef u niet meer te zien. Wij kunnen niets meer voor u doen.’ Zij zou alleen nog op de afdeling cardiologie een aantal onderzoeken naar de oorzaak van haar herseninfarct moeten ondergaan. Op haar klacht over de pijn in haar hand en schouder reageerde hij met de opmerking dat zij moest laten onderzoeken of zij een peesontsteking had in haar schouder.

   Wij waren –gelukkig- zo eigenwijs te denken dat een peesontsteking in haar schouder misschien wel een verklaring voor de stijfheid ervan kon zijn, maar niet voor de zenuwpijn in haar hand, en gingen op zoek naar informatie op het internet. Hannah’s toestand verslechterde intussen met de dag. Zij kon alleen nog op haar rug slapen, kreeg urenlange krampaanvallen in haar bovenarm en hand, en slikte allerlei soorten pijnstillers, die meestal niet en soms enigszins hielpen.

Bij onze zoektocht op het internet stuitten wij op de website van ORES, een praktijk voor neuroacupunctuur in Soest, opgezet door neurofarmacoloog, prof. dr. Jan Keppel Hesselink en de arts David Kopsky. Hannah wees mij o.m. op de volgende zin op hun website ‘Wij behandelen in principe alle neurologische en neuromusculaire ziekten, zoals M.S., de ziekte van Parkinson, M.S.A., de ziekte van Friedreich, algemene pijnsyndromen, posttraumatische dystrofiepijn, neuropatische pijnen, symptomen volgend op een beroerte, verlammingen, spasmen van spieren en verschillende vormen van verlammingen.’

 ‘Naar hen wil ik toe,’ zei Hannah. ‘Ik heb het idee dat zij mij kunnen helpen en in ieder geval met meer aandacht naar mijn klachten zullen luisteren dan Imanse.’ (de neuroloog van het O.L.V.G.) ‘Baat het niet dan schaadt het niet. Met al die pijnstillers verziek ik mijn lever, maar met een acupunctuurbehandeling tegen pijn riskeer ik niets.’ Wij belden dezelfde dag nog op naar ORES, en konden, toen wij uitlegden dat zij pas een herseninfarct had gehad, al twee dagen later langskomen voor een consult bij Jan Keppel Hesselink. Wat ons meteen aan Keppel Hesselink beviel, was de aandacht waarmee hij naar haar ziektegeschiedenis en klachten luisterde, en haar bewegingen opserveerde. Hij bekeek haar verlamde hand, voelde daarna aan haar beide handen, vroeg haar hem te laten zien hoever zij haar arm kon opheffen, en zei toen ‘Je hebt een bepaalde vorm van Südeckse dystrofie, het schouder- en handsyndroom , dat is een complicatie die soms optreedt na een CVA, maar ook wel na ander letsel. Het is goed te behandelen door middel van acupunctuur.’

Ik zal hier niet uitweiden over Südeckse dystrofie, een pijnsyndroom van de hand en/of arm (of voet en/of been) dat voor het gemak meestal PD (afkorting van Posttraumatische Dystrofie) wordt genoemd. Hannah vertoonde alle zes kenmerken ervan en het pleit voor Keppel Hesselinks deskundigheid dat hij binnen vijf minuten de juiste diagnose stelde. Toen ik hem vertelde dat ik had waargenomen dat iedere keer als Hannah geeuwde, onwillekeurig haar hand verkrampte, antwoordde hij niet schaterend van de lach als de neuroloog in het O.L.V.G. ‘Daar heb ik nog nooit van gehoord,’ maar zei ‘Dat is een bekend verschijnsel. Geeuwen en voedsel naar de mond brengen zijn verwante handelingen, en de hand en de mond liggen op de hersenschors heel dicht bij elkaar.’

 Tien minuten later werd ons al duidelijk dat Hannah bij een acupunctuurbehandeling was gebaat. Toen Keppel Hesselink bij wijze van proef een naald in Hannah’s linker scheenbeen had gestoken, kon zij opeens haar arm dertig centimeter hoger opheffen.

In de volgende twee maanden werd Hannah twee maal per week door Keppel Hesselink en zijn collega Kopsky (die in kundigheid en toewijding niet voor hem onderdeed) behandeld. Haar toestand verbeterde. Haar pijnaanvallen en spasmen namen af ; de reikwijdte van haar arm en de beweeglijkheid van haar hand en vingers namen toe. Ook de zwelling van haar hand verminderde. Ik moet hierbij vermelden dat zij in dezelfde tijd extreem hoge doses vitamine C was gaan slikken en op aanraden van ORES onder toezicht van een revalidatiearts die vertrouwd was met Posttraumatische Dystrofie niet-hardhandige fysiotherapie had gekregen. Van veel belang was ook de geestelijke steun die zij zowel van Keppel Hesselink als Kopsky kreeg. Zij leerden haar hoe zij zich bij haar revalidatie moest ontzien, dat teveel fysiotherapie een averechtse uitwerking zou hebben en dat bij haar herstel terugvallen zouden plaatsvinden : het zouden steeds drie stappen vooruit en twee terug zijn. Omdat stress (zowel lichamelijke als geestelijke) de genezing van PD bemoeilijkte en zelfs kon beletten, hadden Keppel Hesselinks en Kopsky’s kalmerende aanwijzingen een heilzaam effect op haar.

Wat ons eveneens zeer beviel van de beide ORES artsen was dat zij niet dogmatisch alternatief waren ingesteld, maar ook gebruik maakten van allopatische geneesmiddelen. Zo raadden zij Hannah aan af en toe diazepam (‘valium’) te gebruiken als spierverslapper, en niet te aarzelen pijnstillers te slikken bij een hevige pijnaanval : de stress van het pijnlijden zou schadelijker voor haar zijn dan de eventuele bijwerkingen van de pijnstillers.

Het is inmiddels eind januari 2005. Hannah is nu voor negentig procent genezen van de PD en werkt weer fulltime. Haar bezoeken aan ORES zijn gereduceerd tot één per maand. In plaats van soms tien pijnstillende tabletten per dag slikt zij er nu nog gemiddeld drie per week. Haar toestand verbetert nog steeds en het ziet er naar uit dat haar genezing van de PD volkomen zal zijn. Uit bovenstaand zal duidelijk zijn dat haar behandeling door ORES daarbij van doorslaggevend belang is geweest.