De ziekte van Parkinson

 

Afbeelding: Een oude vrouw met de ziekte van Parkinson uit een tekstboek van Hirt uit de negentiende eeuw.

Parkinson definieerde de naar hem genoemde ziekte anno 1817 als:

“Involuntary tremulous motion, with lessened muscular power, in parts not in action and even when supported; with a propensity to bend the trunk forward, and to pass from a walking to a running pace: the senses and intellects being uninjured”.

 

 

In deze definitie noemde Parkinson 5 symptomen:

De ziekte was voor Parkinson dus duidelijk een bijzondere vorm van een verlamming.

Vervolgens beschreef Parkinson het verloop van de ziekte met kenmerken als een bijna onwaarneembaar begin en een zeer langzaam progressief karakter, prodromale symptomen als gevoelens van zwakte in de ledematen, een veranderend looppatroon, uiteindelijk resulterend in een geïnvalideerd bestaan met incontinentie, onverstaanbare spraak, speeksel­vloed en ernstige immobiliteit.

Parkinson realiseerde zich de problemen van de nosograaf en wees op het feit dat het niet eenvoudig is een ziekte te beschrijven via het samenvoegen van een serie symptomen. Er ontstaan vooral problemen bij het accentueren van bepaalde karakteristieke symptomen. Deze symptomen hebben meestal een functie bij het afgrenzen van de betreffende ziekte van andere, daarop gelijkende ziektebeelden, zo stelde hij.

Naarmate de symptomen een groter differentiërend vermogen ten opzichte van verwante ziekten hebben, zullen ze bij de definitie een belangrijker plaats innemen. De tremor en de propulsie waren voor Parkinson beide pathognomonische symptomen: deze symptomen werden immers niet gevonden bij verlamde patiënten in het algemeen. In 1876 beschreef Charcot een voorbeeld van een patiënt met de ziekte van Parkinson, bij wie de tremor afwezig was, terwijl er wel sprake was van rigiditeit. Daar er bovendien in het algemeen geen sprake was van een paralyse verwierp Charcot de term 'paralysis agitans'. Hij stelde voor in het vervolg te spreken van de ziekte van Parkinson, een suggestie die vrij snel geaccepteerd werd.

Nadat Charcot de aanzet had gegeven tot de studie der formes frustes van de ziekte van Parkinson, werd de rigiditeit als symptoom steeds belangrij­ker.[i] [ii] Zo meende Béchet in 1892 zelfs dat alle symptomen, op de tremor na, van de rigiditeit afgeleid konden worden. Dit idee vinden we daarna veelvuldig in de literatuur terug. Ook de verminderde beweeglijkheid werd veelal vanuit de rigiditeit verklaard. Zo sprak Brissaud (1895) over de patiënten als zijnde onbeweeglijke standbeelden ten gevolge van de rigiditeit.[iii]  De beschrijving van de progressieve lenticulaire degeneratie door Wilson in 1912 heeft uiteraard ook veel invloed gehad op de waardering van de rigiditeit als symptoom bij deze bewegingsstoornissen.[iv]

Hoewel Charcot en ook Parkinson de aandacht vestigden op het langzame en moeizame bewegen van de patiënten, gaven deze auteurs dit symptoom geen eigen plaats binnen het symptomenta­bleau. Het langzame bewegen werd eerst door Claveleira in 1872 in de definitie van de ziekte opgenomen en Jaccoud introdu­ceerde daarvoor in 1873 de term 'akinesie'.[v] [vi] De geschiedenis van de ziekte van Parkinson is indertijd door één van de oprichters van ORES zeer uitvoerig in zijn dissertatie uit 1986 beschreven.[vii]

 © ORES 2003

[i]. Siotis JE. Des deformations de la main dans la maladie de Parkinson. Thèse de Paris, Paris: 1886.

[ii]. Stewart P. Paralysis agitans; with an account of a new symptom. The Lancet 1898;ii:1258-1260.

[iii]. Brissaud E. Pathogenie et symptomes de la maladie de Parkinson. In Leçons sur les maladies nerveuses. Paris: Masson,1895:469-87.

[iv]. Wilson SAK. Progressive lenticular degeneration. Brain 1912;34:295-509.

[v]. Claveleira M. De la paralysie agitante. Thèse de Paris, Presse de l'Université, 1872:15.

[vi]. Jaccoud S. Traité de la pathologie interne. Paris: Delahay, 1873;I:445-450.

[vii] Keppel Hessselink, JM. De ziekte van Parkinson. Zeist, Kerckebosch, 1986